Beet!
Waar we ook kijken, doorklieven vinnen het wateroppervlak. Het moet hier wemelen van de vis. Het duurt dan ook niet lang voor we beet hebben. Aan de lijn hangt een blauwvin-makreel van vijf kilo. We halen hem binnen en fileren de beste stukken. Net voor zonsondergang ankeren we ten noordwesten van Poivre, waar het vissenkadaver met lijn en haak nog in de bek overboord gaat. Ik laat de lijn een meter of dertig op de stroming uitlopen en zet hem vast, benieuwd of er wat op af komt.
Vijf minuten later staat de lijn strak. Hij beweegt van stuurboord naar bakboord en terug. We hebben duidelijk beet. Voor de zekerheid doe ik dikke werkhandschoenen aan; die vislijn snijdt overal doorheen. Voorzichtig haal ik de lijn binnen. De lijn blijft strak en beweegt nog steeds heen en weer. Dan worden in de vallende duisternis vaag de contouren zichtbaar van onze vangst. Een paar meter ingehaalde lijn verder is duidelijk dat er een zilvertiphaai van anderhalve meter aan de haak hangt. Ik heb spijt als haren op mijn hoofd. Hoe nu verder? Hoe krijg je zo’n monster zonder kleerscheuren aan boord? En dan? Slachten? Opeten? Of bestuderen en loslaten? Zie de haak maar eens uit een happende bek te krijgen.
De lijn kappen lijkt de enige oplossing. Maar dan sleurt deze onschuldige vis de rest van zijn leven haak, aas, staaldraad en lijn achter zich aan. Beloofden we op de evenaar niet plechtig aan Neptunus dat we nooit meer vis zouden vangen dan we konden opeten? Als ik de haai bijna tegen het zwemplatform heb getrokken om de lijn zo kort mogelijk te kunnen doorsnijden, vindt hij het welletjes. Met een ferme draai en een formidabele zwaai van zijn staart verdwijnt hij in de diepte. Zijn zwiepende staart ontwijk ik ternauwernood.








