Sally Lightfoot

Dodori-kreek

De volgende dag varen we de gigantische Dodori-kreek op. Het is onderdeel van het Dodori National Park, een natuurreservaat dat nog niet ontsloten is voor toeristen. Het grenst aan Somalië en schijnt door stropende Somalische bendes onveilig te worden gemaakt. Freedom heeft ons olifanten, giraffen, zebra’s, buffels, antilopen, krokodillen en nijlpaarden beloofd. We varen het reservaat binnen over door diepgroene mangroven geflankeerd water. Bovenop de takken zien we sierlijke ooievaars met gele snavels en een rode band over hun kop. Even verderop zien we maraboes. Dit is het grootste lid van de ooievaarfamilie en zonder twijfel de lelijkste. Aan een kale, gierachtige kop met een paar pluizen erop hangt een ranzige zak rond de nek. Het verenkleed heeft ook iets weg van dat van een gier en maakt een onverzorgde indruk. De lange poten zitten onder de witte strepen, restanten van erlangs glijdende uitwerpselen. Als een maraboe van zijn mangrovetak opvliegt, valt onmiddellijk zijn indrukwekkende spanwijdte op. We zoeken de maraboe op in ons vogelboek. Inderdaad is de afstand tussen zijn vleugeltoppen ruim drie meter. Daarin worden ze slechts overtroffen door twee soorten condor en de allergrootste albatros.

 

We laten de maraboekolonie achter ons en varen verder de kreek op. Voor de nacht ankeren we bij een zes hutten grote vissersnederzetting. Voor het invallen van de duisternis gaan we snel nog even naar de wal. We parkeren de bijboot in de blubber tussen een paar uitgeholde boomstammen en een zeilkano. Dan lopen we langs de hutten, waarin de vissers rondhangen of bezig zijn met de verwerking van hun vangst, die voornamelijk bestaat uit garnalen in diverse afmetingen. Gekookte garnalen liggen op gigantische matten te drogen, rook kringelt uit de muurloze hutjes omhoog. Een tanig mannetje, helemaal onder de modder, komt uit de mangroven glibberen, een zak met grote levende krabben op zijn rug. We voelden ons niet eerder zó ver weg van de bewoonde wereld.

 

Terug aan boord genieten we van de zonsondergang. In het laatste licht zien we ooievaars, reigers en ibissen scharrelen over drooggevallen zandplaten. Zodra de zon echt onder is, verschansen we ons binnen achter de horren. Het is er zeker 35 graden. We smeren ons in met anti-muggenspul en branden de muggenwerende spiralen. Het komt de atmosfeer binnen niet ten goede, maar zo ver in de wildernis zijn we als de dood voor malaria. Daar doen onze dagelijkse kopjes neemthee niets aan af. Freedom zit in de kuip en zegt nergens last van te hebben. Hij slaapt er ook en hij zal wel gelijk hebben, want we kunnen hem de hele week niet betrappen op jeuk.

 

Als het eenmaal aardedonker is, komt onze omgeving tot leven. Regelmatig weerklinkt het gekrijs van bushbabies, een voor ons nieuwe primaatachtige, indringend over het water. In de verte horen we het roepen van apen. ’s Nachts schrikken we op uit onze slaap door een door merg en been gaand gegrom en gehuil. We zijn blij dat we op veilige afstand van de wal liggen.

Deel met anderen:
  • Digg
  • Facebook
  • Google
  • LinkedIn
  • MySpace
  • NuJIJ
  • StumbleUpon
  • TwitThis