Het kind in ons
Papa, dit lijkt wel boetseerklei. Vier jaar, zongebleekte haren, bruingetint, blootsvoets en slechts gekleed in een zwembroekje; Esther loopt op me af met donkergrijze knuistjes waarin ze een verdachte worstvormige substantie geklemd houdt. Net stond ze met Borris gebogen over een kogelronde bal die net boven de vloedlijn lag op dit ver afgelegen en verlaten Madagaskar strand. Nadat ik me er met een snelle reuktest van heb vergewist dat we hier niet te maken hebben met iets wat recent een dierlijke endeldarm heeft doorlopen, neem ik het donkere spul van Esther over. Inderdaad, het is net boetseerklei. Joanne en ik verleggen onze blik van het weidse strand dat wordt geflankeerd door tropisch begroeiing en hardblauw water, naar de kleibron. Borris heeft ondertussen niet stil gezeten naast de bal. Die oogt nu eerder vierkant en Borris ziet eruit als het kleine ‘negatief’ broertje van de verschrikkelijke sneeuwman. Na wat gezamenlijk kunstzinnig kneedwerk, lopen we verder langs verschillende andere kleiballen. Nu pas valt het ons op dat even lager op het strand hele plakken klei bloot zijn komen liggen in het zich terugtrekkende water. Kennelijk vormt de branding de van die plakken afgebroken stukken, tot mooi ronde ballen. We lopen er naartoe en testen de klei alsof het gaat om het ijs op een slootje na twee nachten vorst. Borris, die qua uiterlijk het minst te verliezen heeft, waagt zich er als eerste op. De kinderen maakten nog geen echte Nederlands winter mee en kennen dus geen ijs, maar de klei blijkt daarmee een opvallende gelijkenis te vertonen. Borris neemt een paar passen en glijdt dan, tot zijn grote plezier, zeker twee meter door voordat hij languit gaat. Nu durft Esther ook. Zij glijdt even later gillend van de pret op haar buik over de modderplaat. Joanne en ik kijken elkaar aan. Wij ook? Hand in hand stappen we op de klei. Eindelijk kunnen we Borris en Esther ‘zwieren voor paren’ laten zien. Ze hebben het vrij snel door zodat we even later kunnen doorschakelen naar ‘zwieren voor vieren’. Na een crashcourse cherryflips, dubbele axels en rietbergers, storten we ons uitgelaten en egaal donkergrijs in de lauwe branding. Wat een stevige strandwandeling met een vluchtige blik op gekke kleiballen had kunnen zijn, werd ijspret in de tropen.
Vijf jaar zeilen ver van de beschaving. Levert dat prachtige momenten en indrukwekkende gebeurtenissen op? Natuurlijk, het Suezkanaal, de woestijn langs de Rode Zee, de angst voor Somalische piraten, de Swahili cultuur met de afgelegen ruïnes, de onderwaterpracht van de Seychellen, verlaten atollen, ga zo maar door. Grootse natuur en intrigerende cultuur. Maar onze mooiste ervaringen zitten in juist die kleine dingen die we zonder twee jonge kinderen nooit hadden meegemaakt: Neptunus aan boord op de evenaar, het zeemansgraf van een aan boord gestorven vogeltje, dansen in de kuip op lange overtochten om onze energie kwijt te raken, elkaar met dode inktvistentakels om de oren slaan omdat die zuignappen nog zo lekker plakken op onze wangen, met hamer en schroevendraaier oesterbanken te lijf, en zo hard mogelijk achter Borris en Esther aan van een gigantische zandduin afrennen.
Gastcolumn in de Nautique van juli 2009 








